Wat is het Sanskriet?

Google+ Pinterest LinkedIn Tumblr +

Het Sanskriet (Devanagari: संस्कृतम् ; uitspraak: [/ säⁿskr̩t̪əm /]?, < sam “samen“ + kṛta “gemaakt“) (alternatieve spelling: Sanskrit), dat ook wel Oudindisch wordt genoemd, is een geleerde Indische of Indo-Arische taal die streng gereguleerd is door de spraakkunst van Pāṇini. Het is de taal van de grote klassieke literatuur van het Indisch subcontinent, waar zij nog steeds door een aantal Brahmanenfamilies en bepaalde hindoeïstische sekten wordt toegepast. Het is dan ook niet zozeer een volkstaal als wel een cultuurtaal die altijd bij een zekere sociale elite hoorde. Het was de ‘lingua franca’ zoals in de voorbije eeuwen het Latijn in het westen.

De naam komt van saṃskr̥tam, dat: samengesteld, volmaakt betekent en is relatief recent (zie hieronder). (Nota bene: de eerste m heeft in het Devanagari een bovenpunt (anusvāra), in de transcriptie weergegeven door een m met onderpunt, en de r met onderpunt wordt uitgesproken als /rie/. De a’s hebben geen lengteteken.)

Geschiedenis

Het Sanskriet behoort tot de Indische of Indo-Arische talen, die onderdeel zijn van de Indo-Iraanse talen en Indo-Europese talen. Het heeft in sterke mate de talen in het noorden van India beïnvloed, zoals het Hindi, Urdu, Bengaals, Marathi, Kasjmiri, Punjabi, Nepalees en de zigeunertaal.

De naam saṃskr̥tam, die ‘volmaakt’ betekent, is vrij recent. Gedurende eeuwen werd de taal aangeduid met vāc of śabda, ‘woord’, ‘taal’, en werd beschouwd als de enig mogelijke taal. Bepaalde metaforen zoals gīrvāṇabhāṣā, ‘taal der goden’, duiden wel op het uitzonderlijk verheven en religieus karakter.

De eerste betekenis van Sanskriet is die van ‘antiek indo-arisch’, de moedertaal waaruit een groot aantal dialecten is voortgekomen; een zustertaal is het antieke Iraans of Avestisch, waar het zich nauwelijks van onderscheidt. Volgens de Arische invasietheorie werd het zogeheten Vedisch Sanskriet (de voorloper het Vedisch) vanaf ongeveer 5000 v.Chr. gesproken in Aryavarta (Groter India: Zuid- en Centraal-Azië). Door de migratie van Arische stammen naar Perzië, Mesopotamië en Anatolië werd de taal ook meegenomen. Met zekerheid is vastgesteld dat een vorm van Indo-Arisch werd gesproken in de 14e eeuw v.Chr. dankzij Indo-Arische woorden in documenten die in het gebied van de Hittieten zijn teruggevonden, opgesteld in hun eigen Indo-Europese taal (het Hittitisch). Eén zo’n document is een handboek over het trainen van paarden van ene Kikkuli uit het land der Mitanniërs.)

 

Rigveda-manuscript geschreven in het devanagarischrift

De oudste vorm van Sanskriet waarvan op meer tastbare wijze wordt getuigd heet het Vedisch’. Het is de taal waarin de Veda’s zijn opgesteld, waaronder de R̥g Veda of ‘Veda der hymnen (r̥g-), het meest antieke geheel van teksten. Het blijft echter moeilijk de Rig Veda zelf te dateren, en dus ook het historische begin van de Vedische taal. Deze antieke hymnen werden immers vooral gereciteerd en van buiten geleerd (zelfs tot op vandaag), en het optekenen gebeurde pas relatief laat. Hun samenstelling is bovendien over verscheidene eeuwen gespreid. Volgens sommigen gaan de oudste teksten terug tot vóór het 2e millennium v.Chr. Volgens anderen is dit een mythe. Het Vedisch Sanskriet, waarin de vier Veda’s zijn opgesteld, verschilt van het Klassiek Sanskriet ongeveer in dezelfde mate als het Homerisch Grieks en het Klassieke Grieks. Een late vorm van het reeds geëvolueerd (bijvoorbeeld het verdwijnen van de conjunctief) Vedisch Sanskriet leidt tot het Preklassiek Sanskriet. Dit wordt gebruikt rond de 5e eeuw v.Chr. of van de 4e eeuw v.Chr. Dit is het Sanskriet dat Pāṇini, ongetwijfeld de oudste bekende grammaticus uit de Oudheid, fonologisch en grammaticaal beschrijft (in het Sanskriet) met een nimmer geëvenaarde nauwkeurigheid en gestrengheid. In zijn lijvig werk de Aṣṭādhyāyī houdt hij zich aan de taalregels en onderlijnt de formules die hij eigen aan de Vedische hymnen beschouwt, zonder met zoveel woorden te zeggen dat ze archaïsch zijn. De taal is hier mee gestandaardiseerd.

Uit de 3e eeuw v.Chr. dateren de eerste teksten van prâkrits (of prākr̥ta, ‘ordinaire talen’), onder meer de inscripties van Ashoka. De talen, die hiermee aangeduid worden, komen overeen met ‘minder nobele’ dialecten, dat wil zeggen gevulgariseerde talen voor dagelijks gebruik die zich snel van elkaar afscheiden, en leiden tot de veelheid aan Indo-Arische talen die men thans in het Indiaas subcontinent ontmoet. Ze komen alle uit het originele oude Indo-Arisch, maar kennen verschillende ontwikkeling en gebruiksdoelen. Uit dergelijke prâkrits stammen onder meer moderne talen als Hindi, Punjabi of Bengaals. Deze talen zijn «vulgair» in de zin van het vulgair Latijn, dat wil zeggen ze worden ‘door het volk gesproken’. Het duurt dan ook tot de 19e eeuw eer de literatuur in moderne taal die in het Sanskriet gaat overvleugelen.

In zijn Mahābhāṣya, waarin Patañjali in de 2e eeuw v.Chr. zijn commentaar op de grammatica van Pāṇini formuleert, duiken de eerste kritieken op. De commentator bewijst dat het Sanskriet nog een levende taal is, maar dat de dialectische vormen haar kunnen ontwrichten. Het bestaan der prâkrits wordt dus erkend en het gebruik van de dialectvormen afgekeurd. De notie van ‘grammaticale norm’ dringt sterker door en vanaf dan bevestigt het Sanskriet zich in zijn vaste vorm van het Klassieke Sanskriet, dat uiteindelijk in de teksten wordt aangeduid met de term saṃskr̥ta (een term die echter niet door Patañjali zelf wordt gebruikt). De term ‘volmaakt’, ‘perfect bereid’, af’, wordt ook gebezigd in verband met voedsel.

De taal wordt vanaf de christelijke jaartelling niet meer natuurlijk gebruikt; de grammatica is volledig beschreven en evolueert niet meer. Het is dan een culturele en religieuze taal, zonder rechtstreeks verband met de levende talen, vaak gebruikt als lingua franca en als literaire taal (zelfs door de volkeren die geen oud-Indische taal spreken, zoals de Dravidische taalgebruikers). Dit duurt zo tot wanneer rond de 14e eeuw de neo-Indische talen die uit de prâkrits stammen werkelijk gaan domineren, om ten slotte vanaf de 19e eeuw het Sanskriet te gaan vervangen als literaire taal. Opmerkenswaardig is dat het Tamil, eveneens een Dravidische taal zonder ontstaansverband met het Sanskriet, eveneens gesterkt door een oude cultuur, al veel eerder in concurrentie was met het Sanskriet, vanaf de eerste eeuwen van onze jaartelling. Men ontdekt er evenwel leenwoorden uit het Sanskriet.

Share.

Leave A Reply